open brief aan het Kollectief

 

Beste lezer,

 

 

 

Laatst ging ik iets drinken. Het was op een vreemde plek met bijzondere bouwsels en aparte brouwsels, er stond een biertje voor me dat ik niet kende en ik was in een gesprek met een vrouw die net als ik in het buitengewoon onderwijs werkt. Het ging over een project dat mijn kant was komen uitgewaaid, een nieuwe uitdaging die best wel interessant leek, het zou gaan over onderwijsvernieuwing en nieuwe didactische uitdagingen – iets over niet alleen inboren op de talenten van de kinderen, maar vooral ook uitzoeken waar hun passie zit, hun honger om te leren. Het duurde niet lang voor ik een pleidooi begon over waarom onze pedagogiek zo hopeloos achterhaald is, en hoe het ook anders en beter kan.

 

Of ik het ga doen, vroeg ze me. Meestappen in dat project. Ik antwoordde dat ik het tijd vond voor iets nieuws. Dat ik nu iets breder wil gaan doen met mijn tien jaar ervaring in de praktijk als orthopedagoog in het lager buitengewoon onderwijs. Iets nuttigs met wat ik geleerd heb, want ik heb zo veel geleerd. Vond ze het geen goed idee?

Ze twijfelde. Het was best een boeiend betoog geweest, maar als ik het dan toch had over zoeken naar passie, had ze de mijne maar in een paar stukjes van mijn verhaal gevonden.

 

Ik wist wel over welke stukjes ze het had.

Ik hoor het in mijn stem als ik het heb over hoe we de leerkracht weer dichter bij de leerling moeten brengen, en dat verantwoordelijkheid daarin een sleutelrol speelt. Ik voel hoe ik meer rechtop ga zitten wanneer ik me opwind over hoe kinderen met probleemgedrag keer op keer verwijderd worden, uit de klas, bij de leerlingenbegeleiding, in time-out, doorverwezen naar buitengewoon onderwijs, en nog verder weg gestuurd, naar type 3, in isolatie, nog eens doorverwezen (en afgewezen), door-verwijderd naar psychiatrie, om ook daar steeds meer verwijderd te worden, op de kamer, uit de groep, in isolatie.

Ik hoor mijn stem wat luider worden wanneer ik vertel hoe hetzelfde gebeurt met de sociale context. Waar kinderen beschermd worden door hen uit hun ‘zwakke sociale milieu’ weg te nemen. In dagcentra, internaten, voorzieningen, tot hun ouders er zelf van overtuigd zijn dat hun kind beter af is in die ‘gespecialiseerde zorg’, die het veel beter doet dan zij het ooit zullen kunnen.

Ik begin me op te winden als ik het heb over hoe we een zorgsysteem hebben gecreëerd waar verantwoordelijkheid afgenomen en verbrokkeld wordt. Hoe de verantwoordelijkheid van de belangrijkste zorgfiguren, de ouders en de leerkrachten, wordt doorgegeven aan leerlingenbegeleiding, CLB’s, psychologen, psychiaters, … ‘specialisten’. Verder en verder weg van waar het zou moeten beginnen en blijven.

Hoe tegelijk de kinderen zelf verontschuldigd en zo ver-ont-verantwoordelijkt worden met diagnoses en mededogen. Ze kunnen er niet aan doen. Ze kunnen er niets aan doen. Ze krijgen met andere woorden de boodschap dat ze machteloos staan. Ze zijn overgeleverd aan hun gevoel, hebben geen controle over hun gedrag en zijn in de onmogelijkheid om zichzelf te begrenzen. Ook hen wordt de verantwoordelijkheid ontnomen, en daarmee het besef dat er steeds een keuze is. Het moet zowat het ergste zijn wat je een kind kan zeggen: ‘je kan er niets aan doen’.

 

Ik voel de tristesse in me opkomen als ik het heb over de vele kinderen die in ontreddering geen andere keuze meer zien dan fysiek duwen tegen een grens die steeds verder gaat liggen, tot niets meer overblijft dan isolatie en medicatie. Dat ze hierin een oplossing vinden voor de onrust die hen overspoelt, waarvan ze nooit geleerd hebben dat ze die zelf kunnen en moeten bemeesteren. Dat alles mijlenver verwijderd van de liefde, het begrip, en de kordate hand van ouder of leerkracht. En voorbijgaand aan het feit dat zij het zijn, die samen met de kinderen zelf de expert mogen genoemd worden. En een helpende hand zouden moeten zijn in hun zoektocht.

 

Maar na die tristesse komt ook optimisme in mijn stem. Wanneer ik het heb over hoe het dan wel kan. Over hoe we de kinderen om te beginnen gewoon in de klas moeten houden. Hoe we zowel de leerkracht als de leerling hun verantwoordelijkheid moeten teruggeven. En hoe dat begint door het afschaffen van al die idiote time-outprotocols en professioneel gecapitoneerde isolatiekamers.

Wanneer ik uiteenzet hoe we op onze school bewust de keuze hebben gemaakt om het zonder time-outruimte te doen, en hoe dit feit op zich al voor veel minder agressie zorgt, gaan mijn ogen weer blinken.

 

Nog voor ik in alle vurigheid ook linken begin te leggen met de maatschappij, de afstand tussen product en consument, neoliberalistische structuren en systemen... Onderbreekt ze me.

‘Fran.’ Zegt ze. ‘Heb je al gehoord van ‘Zonder Dwang’? Met de ‘z’ tussen haakjes.’

Ze was naar een lezing geweest, en wat daar aan bod kwam, lag volledig in de lijn van wat ik zonet als mijn passie bewezen had. Ik zat bijna voorbij het puntje van mijn stoel. ‘Doe hier iets mee,’ moedigde ze me aan, en ik vroeg me af hoe dan wel. ‘Schrijf hen!’ zei ze.

En ik schreef.

Ik begon met een verhaal.

Dit is het verhaal.

 

------

 

Ik zit op de grond. In mijn haar hangt een klodder spuug, waar waarschijnlijk wat braaksel bij zit want het ruikt zurig. Mijn wang gloeit, dat komt door de klap die ik net kreeg. Ik vraag me af of je de handafdruk er in kan zien staan, net zoals de twee gebogen rijtjes tanden die je in Inges linker onderarm kan zien. Ze zijn donkerrood, en er omheen begint het vel te spannen van de bult die er al onder zwelt. Morgen zal het donkerblauw zijn, en dat blauw zal nog wekenlang uitwaaieren over haar hele arm. Het zal pijn doen ook, als ze dingen oppakt of badminton speelt, of als je er met je vinger op duwt.

Inge zit naast me op de grond. Haar gehavende linkerarm ligt samen met haar rechterarm rond het dikke lijf van Bryan. Die zit voor haar op de grond, met zijn rug tegen haar aangeleund. Hij is al een tijd aan het schoppen en schreeuwen dat hij zijn mama wil en dat iedereen lelijk is. De tandenrij en het spuug komen van hem. Dat doet hij als hij echt heel boos is. Bijten en spugen.

 

Het is een vijftiental minuten geleden begonnen. Met Bryan die lawaai begon te maken, op zijn bank ging staan, dingen deed die hij niet mocht, andere kinderen uitdaagde. Dat is dan weer wat hij doet als hij nog niet boos is, maar als er een probleem is. Juf Kristel had de strijd tegen de tijd verloren, want het was tien voor vier toen het begon. Ze had niet op tijd gevonden wat er scheelde – hij wilde niet dat zijn papa hem kwam halen, dat wist ze, maar verder was ze niet gekomen. Voor Bryan, die iets zocht om zijn onrust te verklaren, was alles de schuld van zijn klasgenoot Mathéo, die ooit had gezegd dat Bryan een dikzak was. Nu, tien voor vier, was een neutrale blik van Mathéo genoeg geweest om een razernij te ontketenen, waarin juf Kristel moest voorkomen dat Bryan zijn belofte om Mathéo de kop in te slaan waarmaakte, juf Inge (de juf van de klas ernaast) de andere kinderen moest evacueren om te vermijden dat ze een van de rondvliegende stoelen tegen het hoofd zouden krijgen en Bryan twee zware tafels en een kast ondersteboven haalde met een plots opgedoken superkracht.

Juf Tina, de turnjuf, was ook op het lawaai afgekomen, en kon tussen Bryan en Kristel in duiken, zodat Kristel net geen vuist in het gezicht kreeg. Ze moest Bryan daarbij bij zijn arm pakken, waardoor hij nog meer uit zijn dak ging, want Bryan wordt niet graag vastgepakt.

Ondertussen was het vier uur geworden. De andere leerlingen uit de gang waren via een omweg naar beneden geloodst, en Bryan was aan een scheldtirade tegen juf Tina begonnen, die cirkelde rond de woorden ‘laat me los’ en ‘ik wil naar mijn mama’. Dat loslaten deed ze ook, van zodra Kristel uit de buurt was, maar nu vloog Bryan Tina zelf aan, want ze had natuurlijk zijn arm niet mogen vastpakken.

Tegen de tijd dat Kristel me uit een vergadering had geplukt, had Inge het op haar beurt overgenomen van Tina, die wijselijk uit het zicht verdween. Van op een afstand loodste ze Bryans razernij richting onbreekbare dingen. De muur, de grond, de stevige deur van de gang. Omdat hij nog niet meteen een reden vond om ook op ons boos te zijn, lukte het ons om hem enigszins gerust te stellen, door te begrijpen dat er een probleem was, en te beloven dat we zouden helpen om het op te lossen. Ver kwamen we daar niet mee, want Marleen van het onthaal kwam vrolijk vertellen dat Bryans papa beneden wachtte; nieuws waar Bryan zelf niet echt blij van werd. Gelukkig stonden we strategisch opgesteld en was behendigheid niet echt zijn grote sterkte, want terwijl hij brullend op Marleen afstormde, beloofde hij ook haar de kop in te slaan. Toen de papa van Bryan dan ook nog eens verscheen op het einde van de gang, vergezeld van de directeur die kwam kijken wat er aan de hand was, voegde zich ook paniek bij de kwaadheid. Je kon het in zijn ogen zien, en wist dat je je schrap moest zetten. Niet zozeer om de directeur te beschermen, maar eerder om te vermijden dat Bryans papa het probleem op zijn manier zou oplossen (door Bryan aan zijn oren op te heffen en hem enkele harde klappen uit te delen), wierpen we ons op als levende barricade. Toen begon het slaan, spugen en bijten.

Het duurde even voor Tina aan het toenemende publiek kon duidelijk maken dat de beste manier om ons te helpen gewoon te verdwijnen was, en toen dat uiteindelijk gebeurde, zaten we alle drie op de grond. Uitgeput en trillend.

 

Bryans t-shirt is nat van het spuug. Er zit ook bloed tussen, hij heeft zijn lip open gebeten. ‘Laat me looooos!’ schreeuwt hij. Ik zie hoe Inge haar greep verslapt, waarop Bryan me opnieuw schopt en weer in Inges arm begint te bijten. ‘Als we je loslaten, zal het dan lukken om ons geen pijn te doen?’. Bryan schreeuwt van niet. Hij is altijd heel eerlijk. ‘Dan houden we je nog even vast. Begrijp je waarom?’ – ‘Jaaaaaaa!’

Ik ga voor hem zitten, en in een vraaggesprek met schreeuwende ja’s en nee’s als antwoord, af en toe pogingen om te slaan en te bijten, beginnen we te begrijpen wat het probleem is. Hij wil naar mama want hij wil niet mee met zijn papa. Nee, het heeft niets te maken met zijn playstation (daar gaat het meestal om), nee hij is niet gestraft voor iets zonder te weten waarom of wat de straf zal zijn (dat is het ook vaak), en neen papa is niet boos op hem omdat hij in zijn broek heeft gedaan (dat is het de laatste tijd steeds vaker; Bryan heeft een stoelgangsprobleem, maar zijn ouders vinden dat het tussen zijn oren zit en dat schelden en straffen wel zal helpen). Bij elke neen wordt Bryan weer bozer, maar hij gebruikt niet meer zijn volle kracht. Wanneer ik vraag of er vanavond bij papa iets is wat hij niet leuk vindt, komt er een eerste ja, waarmee zijn spieren een klein beetje ontspannen. Inge verslapt op haar beurt haar greep, en begint over zijn borst te wrijven. Ik aai over zijn hoofd, het is kort geknipt en helemaal nat van het zweet. We komen te weten dat er vanavond een babybezoek gepland staat, bij vrienden van zijn papa. Wil hij niet gaan? ‘Jaweeeel!’ Want hij mag er op de computer spelen en het is een nieuwe, hele snelle computer. Hij wordt weer wat bozer, we vinden het niet snel genoeg. Of het misschien iets te maken heeft met zijn ‘ongelukjes’?. ‘Jaaa!!’. We zijn er bijna. ‘Ben je bang dat die mensen het zullen ruiken, en met je zullen lachen?’ Als Bryan computer speelt, is hij helemaal ontspannen. Ook zijn sluitspier. We zijn er. Hij slaakt een langgerekte, opgeluchte ‘Jaaaaaa’, zakt blubberig in elkaar, en begint te huilen.

Ook Inge en ik voelen de opluchting in onze lijven. Maar terwijl we hem zachtjes aan beginnen loslaten, beseft hij opnieuw hoe groot en onoverkomelijk zijn probleem is. Hij begint weer te grommen, daarna te schreeuwen, en tenslotte te schoppen en te bijten.

‘Ok, we laten je los, maar dan mag je ons geen pijn meer doen. Zal dat lukken?’ – ‘Neeeeeen’ schreeuwt hij. ‘Jawel, dat lukt je wel’, zegt Inge. ‘Je mag terug naar de klas lopen, je mag tegen de muur schoppen, je mag schreeuwen en roepen,’ zeg ik. ‘Ik tel tot vijf en we laten je los’. Ik tel tot vijf en we laten hem los, schuiven wat weg van hem. Hij spurt naar de klas, knalt de deur dicht en begint daar al zijn mappen en schriften in het rond te gooien. Alleen de zijne.

Omdat Bryan er vrij zeker van is dat zijn papa sowieso boos zal zijn en hem zal slaan, duurt het nog een half uur voor we hem er van kunnen overtuigen dat we met papa moet spreken als we een oplossing voor zijn probleem willen. Want zijn eigen oplossing, mama bellen zodat die hem komt halen, blijkt geen optie. Niet alleen omdat mama aan het werk is, maar ook omdat hij eigenlijk die baby wel wil zien, en heel graag op die nieuwe computer wil spelen. Voor Bryan zat het muurvast, maar met het verschijnen van het probleem komt er voor ons een wrikbare opening.

Bryans papa zit even verderop te wachten, in het gezelschap van Tina en Kristel, die hem nog eens proberen uitleggen wat encopresis is, en dat het iets ingewikkelder ligt dan dat het gewoon tussen zijn oren zit.

Kristel, de vaste juf van Bryan, mag weer in Bryans buurt komen. Ze geeft hem een stevige knuffel – zij mag dat – en hij maakt het goed met tranen en snot. Ze krijgt zijn fiat om de onderhandelingen te beginnen met papa, en terwijl we nog een half uur over en weer lopen tussen de twee, ruimt Bryan de hele klas op en zet de zware tafels weer recht – met onze hulp, want ondertussen is hij zijn superkrachten weer kwijt.

Het is halfvijf wanneer Bryan rustig de school uit stapt, met de stevige arm van zijn stevige papa over zijn schouder. Van de ravage die Bryan heeft aangericht is er niks meer te zien. Hij heeft alles opgeruimd en er is niks stuk gegaan.

Er is niemand meer in de school, iedereen is naar huis, ook de directeur. Nadat we het spuug uit onze haren gewassen hebben, is het enige wat nog zichtbaar is van wat gebeurde, de dikke bult op Inges arm. Na ijs en zalf en napraten waarbij we elkaar ervan verzekeren dat het wel gaat, stappen we nog een half uur later ook naar buiten, elk een kant uit.

 

----------------

 

Dit is het verhaal dat ik schreef. Een verhaal dat goed illustreert hoe het er op onze school vaak aan toe gaat. En eerst wist ik het niet goed. Waarom ik precies dit verhaal moest neerschrijven. Maar stilaan werd het duidelijk.

 

De weg naar de reden begint met hoe het Bryan verder verliep.

Het was niet de laatste keer dat Bryan zich in een van ons vastbeet. Maar wij hadden ons op onze beurt vast gebeten in zijn verhaal.

Er was al een weg afgelegd met de jongen, hij had al wat vertrouwen gekregen, wist dat we er waren om hem te helpen. Hij wist al dat we hem niet langer vasthielden dan strikt noodzakelijk, en dat we hem niet met zijn hoofd tegen de grond zouden duwen om hem in bedwang te houden, of hem met behulp van ‘een eenvoudige pijnprikkel’ zouden wegbrengen.

Het duurde nog een tijd voor hij het kon benoemen als er ‘iets in zijn hoofd zat’, en ook toeliet dat we hem hielpen om het samen met hem op te lossen. Het duurde nog een hele reeks voorvallen, waarbij ik niet de leerkrachten, maar wel de directeur ervan moest overtuigen hem niet te schorsen, om hem niet naar een andere school te sturen, niet door te verwijzen en daarmee af te wijzen. Hij bleef in de klas, en als hij er uit wegliep, gingen we achter hem aan, niet om hem te pakken te krijgen maar om hem bij te staan, een betere uitweg te bieden dan de uitweg van agressie die hij gewoon was. We gaven hem de keuze, en door de mogelijke gevolgen van zijn acties helder voorop te stellen, gaven we hem daarmee ook de verantwoordelijkheid over zijn gedrag terug. We boden hem in het moment zelf de mogelijkheid zichzelf te begrenzen. Niet in zijn plaats, niet met reflectie achteraf en daarmee met schuldgevoel.

 

De anticipatoire angst die zich ondertussen had opgebouwd, de angst dat het fout zou lopen bij moeilijkheden, dat hij zou ontploffen en hij mensen pijn zou doen, en dat mensen op hun beurt hem pijn zouden doen, bleef nog een tijd nazinderen. Niet alleen bij hem, maar ook bij ons, en dan niet zozeer omdat we niet geloofden in Bryan, maar omdat zijn ouders al meer dan eens bewezen hadden dat ze niet over de sterkste pedagogische vaardigheden beschikten. Er waren redenen genoeg voor een aanmelding bij bevoegde instanties, en een plaatsing hadden velen –inclusief mezelf- ‘verantwoord’ gevonden.

Maar Bryan had het geluk dat er een gedreven thuisbegeleidster was, die mee de verantwoordelijkheid wilde dragen om de ouders ondanks alles te blijven ondersteunen in hun verantwoordelijkheid, in plaats van hen die af te nemen. Hen te erkennen in hun moeilijkheden, maar ook hen weer keuzes te geven, hen andere opties te tonen. Door haar raakten wij er uiteindelijk ook van overtuigd dat het zou lukken. Ook zonder internaat. En samen met ons vertrouwen groeide ook dat van Bryan. Dat het wel zou lukken. Ook zonder ons.

 

En het lukte. Hij ging naar het middelbaar, en ondertussen heeft hij er zijn eerste jaar daar op zitten, zonder noemenswaardige kleerscheuren. Het loopt er goed, en waarschijnlijk vragen zijn leerkrachten en opvoeders zich af waar we zoveel drama over maakten, toen Kristel en ik in de vakantie gingen vertellen hoe Bryan in elkaar zat en hoe ze best met hem konden omgaan. Ook thuis loopt het goed. Zijn papa blijkt hem uiteindelijk beter te begrijpen dan wie ook. Ze dreigen er niet meer mee elkaars hoofd in te slaan en Bryan wordt niet meer afgetroefd of aan zijn oren opgetild. Ze gaan samen vissen, en vertellen elkaar flauwe mopjes waar alleen zij om kunnen lachen. En doordat die band versterkt is, ligt er nu ook minder druk op de moeilijkere, afwijzende hechtingsrelatie met zijn mama.

 

Zo goed loopt het, dat we ons zelf soms ook afvroegen waar we zoveel drama over gemaakt hadden. Of het allemaal wel zo erg was. Als het zo moeilijk liep bij ons, en zo (relatief) makkelijk nu in het BuSo – hadden we het dan wel goed aangepakt? Deden wij dan niks verkeerd?

Ik heb het me vaak afgevraagd, waarbij ik tot in detail alle handelingen overliep, de volledige aanpak overschouwde, samen met die van een hele resem andere kinderen. Dat moet wel, die vraag, en het leert je veel. Het leerde ons bijvoorbeeld over hoe je angst voor falen kan overzetten, en hoe besmettelijk vertrouwen is.

 

Maar ik denk dat het me ook iets anders leerde. En waarschijnlijk kom ik daarmee dichter bij wat ik als reden voor dit schrijven vermoed. Het is de veronderstelling, de hypothese, dat het goed was, wat we deden, wat we doen. En de vage, relatieve zekerheid dat het ook anders had kunnen lopen. Minder goed.

 

----------------

 

Waarschijnlijk was het ook effectief anders gegaan, als ik een vijftal jaar geleden harder op tafel had geklopt.

Het aantal voorvallen van agressie was toen van die grootte dat het gevoel dat er ‘iets moest gebeuren’ alomtegenwoordig was. Ondertussen vijf jaar aan het werk, bruisend van dadendrang, onderschreef ik dat gevoel, en wilde mijn team ondersteunen in hun dagelijkse beproevingen. Dus ik pleitte mee, brak lansen en tikte op tafel (niet al te hard, dat durfde ik nog niet). Onze doelgroep was dermate veranderd dat het tijd was voor het installeren van een time-outsysteem, en broodnodig daarbij was een ingerichte time-outruimte. De teamvergaderingen en brainstormsessies die ik deskundig en handelingsgericht, zoals het hoort in scholen en andere bedrijven, in goede banen leidde, leverden een concreet ontwerp op, en we kregen een lokaal toegewezen dat als time-outruimte zou mogen dienen.

Dat die ruimte er nooit kwam, moet een combinatie geweest zijn van een slecht beleid (onder andere het lokaal dat ons beloofd werd, was plots een snoezelruimte geworden), samen met een fundamentele aarzeling in mijn protest tegen dat wanbeleid.

De oorsprong van die aarzeling was allicht een intuïtie die me verhinderde om mijn volle gewicht achter de plannen voor een de time-outruimte te gooien. Een gevoel dat het niet de juiste weg was.

 

Die aarzeling veroorzaakte op zijn beurt een traagheid in handelen, strooide een handvol vraagtekens als kraaienpoten voor elke beslissing rond de vooropgestelde time-outwerking. Ondertussen zag ik hoe die traagheid in afwachting van de time-outruimte, stilaan de noodzaak creëerde om het anders aan te pakken. Intuïtief vaak, improviserend. Elke keer anders, omdat elke situatie, en elk kind ook anders was.

 

Ik zag mijn intuïtie gesterkt, want ik zag andere systemen ontwikkelen.

Er was een jongen die wegliep, in cirkels binnen het schooldomein – door deuren en traphallen, gangen en kelders. Als je in het midden van die cirkel ging staan, om zo in de gaten te kunnen houden of alles nog ok was en er geen ramen sneuvelden onderweg, werden de cirkels steeds kleiner, tot hij om je heen liep en hij ook zijn algemene woede verkleind had tot waar het echt om draaide. En je hem kon helpen.

Een andere jongen klom. Bij elk conflict klom hij de vensterbanken op, de toiletdeuren, de kasten. Een juf zag er zijn angst in, en de veiligheid van hoger te zijn dan je belager. Ze maakte een veilige klimplaats voor hem binnen de klas, waar hij onder haar voorwaarden gebruik van mocht maken. Het zorgde er voor dat hij niet meer de behoefte voelde om zich te verdedigen door met scharen te gooien of zijn nagels in je vel te zetten, als hij niet meteen een uitweg zag.

Een andere juf zette een doos oude telefoonboeken in de gang, voor een leerling die dingen kapot wilde maken als hij boos werd, en creëerde zo de plaats en ruimte om midden in zijn boosheid met hem te spreken over wat hem frustreerde en hoe hij er – eveneens middenin zijn boosheid – iets aan kon doen.

Ik zag vooral ook leerkrachten die elkaar ondersteunden in hun zoektocht naar die systemen, in hun pogingen de agressie betekenis te geven en een verhaal te maken.

 

Samen met hen zocht ik mee naar manieren om er voor te zorgen dat ze geen vrijblijvend, comfortabel vangnet creëerden met hun systemen, waar kinderen zich in dreigden te nestelen doordat ze geen noodzaak meer ervoeren om het anders aan te pakken. Er bleek een cruciale rol weggelegd voor voorwaarden, consequenties en soms ook sancties. Gevolgen die verbonden moesten worden aan de keuzes die vooropgesteld werden, om zo de makkelijke, comfortabele weg stapje voor stapje minder aantrekkelijk te maken. Een noodzakelijke schakel om een therapeutisch traject of zorgsysteem weer aan een maatschappelijk functioneren vast te haken.

 

Daarna zag ik hoe ze samen geen vangnet meer vormden, maar een breed en stevig, en vooral zeer flexibel raamwerk vormden, waarbinnen kinderen met hun eigen subjectiviteit aan de slag konden gaan.

 

En binnen die veiligheid werden de verrassende mogelijkheden van de kinderen zelf ook duidelijk.

Zo was er een jongen die in een schijnbaar blinde woede alles in mijn bureau tegen de grond gooide, maar toen hij in de buurt van mijn schilderijen kwam, en ik zei ‘niet mijn schilderijen, die niet!’ hield hij zijn handen tegen en gooide wat waardeloze folders door de lucht. Hoewel ik mezelf op het moment dat ik de ravage overschouwde vervloekte om het feit dat er nog geen time-outruimte was, moest ik achteraf vaststellen dat er eigenlijk zelfs niks kapot was.

Dat vervloeken deed ik laatst bijna opnieuw, toen ik aankwam in een leefgroep, waar de coördinator en een kinesist een jongen in bedwang hielden die zwetend en schuimend bleef proberen de nek van de coördinator om te wringen, en te krabben waar hij maar kon, terwijl hij onophoudelijk ‘laat me met rust!!! schreeuwde’. De vraag of hij ons zou met rust zou laten als wij hem loslieten, beantwoordde hij met een welgemikte kopstoot op mijn neus en een besliste nee – wat we van hem zeker mochten geloven. Ik kreeg twee angstige blikken mijn kant uit toen ik hem zei dat we hem zouden loslaten en de ruimte zouden verlaten, maar in de buurt zouden blijven. Dat hij met stoelen mocht gooien en wat hij maar wilde, maar dat hij moest zorgen dat er niks kapot ging van alle waardevolle spullen die er stonden. Ik telde tot drie en de andere twee konden niet anders dan me naar buiten volgen, overtuigd van het feit dat we de nieuwe flatscreen tv door het venster zouden zien zweven.

Tien minuten later was hij gekalmeerd.

 

Tientallen keren hebben we al gevreesd voor de ruiten, de meubels, de glazen, de vaderdagcadeautjes die de knutseljuf uitstalt in de gang. Het is telkens een gok, en waarschijnlijk loopt het ooit wel eens fout, maar de gok werd steeds beredeneerder, en bleek tot hiertoe telkens het risico waard.

 

Ik zag tenslotte, dat als je bereid bent om het erbij te nemen, het risico dat spullen kapot gaan, je zonder dat je het door hebt hebt een ruimte maakt die veel zinvoller is dan een isolatiekamer. Je creëert de ruimte voor een kind om zichzelf te begrenzen, om zelf de controle terug te nemen over wat hij doet of laat. Als je bovendien in de nabijheid blijft, in die denkbeeldige ruimte voor de razernij, kan je ook helpen om die razernij te kanaliseren.

 

Het verraste me, maar ik zag het steeds duidelijker: kinderen die niet gedwongen worden, leren zichzelf makkelijker bedwingen.

 

----------------

 

Het brengt me terug bij Bryan. En de vraag of zijn verhaal ook zo was gelopen als ik harder op tafel had geklopt. Als er als gevolg daarvan op onze school toch een protocol was gekomen voor agressie, een permanentiesysteem met een crisisteam, getraind in ptv-technieken (waarbij ze met een ‘pijnprikkel’ je hand zo klemmen dat je niet meer kan bewegen zonder dat het verschroeiend veel pijn doet). Of Bryan dezelfde weg richting middelbaar had afgelegd als die snoezelruimte dan toch een isolatieruimte was geworden. En of hij nu met zijn papa zou gaan vissen, als we de geijkte, veilige procedure hadden gevolgd, die al veel eerder een aanmelding bij het OCJ als gevolg had gehad.

 

Had hij dan grip gekregen op zijn onrust? Inzicht verworven in wat er aan de basis van lag? Had hij dan steeds meer controle gekregen over zijn gedrag? Had hij de verantwoordelijkheid erover geassumeerd en het vertrouwen gekregen dat hij die ook kon dragen? Of was het een reeks protocollair uitgeschreven tussenstappen geworden, naar de conclusie dat Bryans problematiek de expertise van onze school overschreed, naar een doorverwijzing richting meer gespecialiseerde zorg. Met meer aangepaste protocollen, betere infrastructuur en een nog betere omkadering. Een weg richting nog meer isolatie en fixatie, en uiteindelijk een eindeloos verhaal van medicatie – naast isolatie en fixatie de derde illusie van onrustbemeerstering (maar dat is een ander – zij het sterk gerelateerd – verhaal. Waar ik zo mogelijk nog gepassioneerder over ben).

 

We kunnen het niet weten, hoe het Bryan vergaan zou zijn, maar mijn aanvankelijk voorzichtig bescheiden geloof dat we het goed deden, groeide door de jaren en langs verschillende andere casussen uit tot de stevige overtuiging dat we de juiste weg kozen. En dat het daaraan te danken is dat het nu zo goed gaat het Bryan.

Stilaan durfde ik daarom ook de verantwoordelijkheid te assumeren voor het beleid in ons team. Wat aanvankelijk vanuit een aanvoelen en aarzeling ontsproot, werd uiteindelijk een zeer bewuste en uitgedragen keuze om geen time-outwerking en isolatieruimte te installeren op onze school. Waarvoor ik nu eens zo hard op tafel klop.

 

Tegelijk ontwikkelde zich een hypothese. Eentje die niet voort komt uit literatuur of wetenschappelijke verdieping, of een louter persoonlijke mening. Een hypothese met diepe wortels in de praktijk, en in een onbevangen, onbevooroordeelde ervaring. Ze draagt niet de taal of de kleur van een stroming, een ideologie of theorie, maar ze kent wel het voordeel van een brede scholing, een ruime blik en een gezonde twijfel. Dat alles zorgt er misschien voor dat ze net die handvaten in zich draagt voor een vertaling naar de praktijk. In een taal die begrijpelijk en herkenbaar is, een taal die gelezen en gehoord kan worden.

 

Ze vormde zich door de jaren heen, en vindt pas nu haar weg naar het papier. En dat heeft te maken met het feit dat ik me realiseerde dat ze met haar implicaties precies hetzelfde besluit kent als wat jullie met Zonder Dwang voorop stellen. Dat isolatie en fixatie bij kinderen onder de zestien verboden zou moeten zijn.

 

 

----------------

 

Dit is wat ik veronderstel:

De toenemende agressie en psychische ontreddering bij kinderen, en daarbij de groeiende toevlucht tot fixatie, isolatie en medicatie, is terug te brengen op twee elkaar versterkende principes van een doorgeslagen zorgsysteem.

 

Enerzijds is er het principe van verwijdering. Kinderen stellen niet zelden probleemgedrag vanuit een verstoorde hechtingsrelatie. Ze missen vertrouwen, en gaan op zoek naar de mate waarin ze op de ander kunnen rekenen. Bij anderen ligt verwerping aan de basis van een zoektocht naar het bewijs van hun waardeloosheid. Toch had de specialisering in onderwijs en zorg net een toenemende, zich herhalende verwijdering als gevolg. Uit de klas, uit de school, weg van die betekenisvolle ander. Ee verwijdering die als onveilig en/of als afwijzend ervaren wordt, steeds sterker en fundamenteler. In hun zoektocht naar hoe ver ze moeten gaan voor ze opnieuw verwijderd, afgewezen worden, krijgen ze kinderen onvoorwaardelijke basisaanvaarding van hun subject als (enige juiste) antwoord, maar een steeds verder uitwijkende grens, die er voor zorgt dat ze niet anders kunnen dan in hun agressie steeds verder te gaan, en die hen steeds verder verwijdert van de oorsprong van het probleem.

 

Anderzijds is er het principe van de verontschuldiging en veront-verantwoordelijk-ing; een verkeerd gevolg van diezelfde specialisering. Van een groeiend inzicht in de oorzaken van probleemgedrag, en een steeds verder uitwaaierende drang naar diagnostiek, die ondertussen ver in de ‘normaliteit’ is doorgedrongen. Zowel een algemene, kwantitatieve, categoriserende diagnostiek, als een particuliere, kwalitatieve, verklarende diagnostiek wordt door velen verkeerdelijk als een verontschuldiging gezien. De logica luidt dat als we de oorzaak van het gedrag kennen, we het kind of de context er niet over kunnen/mogen aanspreken. Het is namelijk niet hun fout, ze kunnen er dus niks aan doen. Een manke redenering en foutieve logica. Hier worden schuld en fout namelijk verward met verantwoordelijkheid.

Het kind krijgt de boodschap dat zijn problematiek te ernstig is om meester te kunnen, de leerkracht en de ouders de boodschap dat het hun expertise overstijgt. De leerkracht leert dat er kinderen zijn die je nu eenmaal niet aankan, de leerling leert dat hij zichzelf niet kan begrenzen omdat hij nu eenmaal ‘iets’ heeft.

Op die manier worden zowel de context als het kind hun verantwoordelijkheid, en daarmee de controle, de houvast, ontnomen. Ze krijgen het gevoel in een overspoelende situatie te zitten, waar ze niets aan kunnen verhelpen. Het destructieve gedrag blijft door de zorgende, verontschuldigende houding bovendien vaak zonder consequenties, waardoor er niet alleen geen controle ervaren wordt, maar ook geen noodzaak om het anders te doen.

 

Voor kinderen die probleemgedrag stellen vanuit een hechtingsproblematiek, is vooral het eerste principe nefast; voor kinderen die reeds vroeg in hun leven een diagnose van ASS, ADHD, mentale beperking, etc. krijgen, is vooral het tweede principe erg kwalijk. In de praktijk zorgt echter vaak een combinatie van de beide ervoor dat zorgtrajecten al te vaak snel in een neerwaartse spiraal terechtkomen, waarvan het eindpunt al even vaak strandt op fixatie, isolatie en medicatie als enige antwoord dat nog overblijft op een steeds groter wordende ontreddering.

 

Ik durf dus samenvattend te stellen dat het probleem, en tegelijk de oplossing, begint bij onderwijs en zorg. Dat ‘de zorg’ een kloof heeft geslagen tussen zichzelf en zijn subject. Door het kind steeds verder te verwijderen van zijn context en door deze beiden uit hun verantwoordelijkheid te ontheffen. Door die verantwoordelijkheid te verbrokkelen en te verspreiden, waardoor er uiteindelijk alleen nog een overspoelende onrust en gevoel van waardeloosheid overblijft, die ‘de zorg’ uiteindelijk in een zichzelf tegensprekende beweging probeert te beteugelen, met nog meer systemen, protocollen en dwang.

 

----------------

 

Jullie beginnen met het verbod op fixatie en isolatie bij het eindpunt, en dat is goed – want dat is soms nodig om het begin aan te pakken. Maar ondertussen mag het allicht duidelijk zijn dat ik ervan overtuigd ben dat het begin verder te zoeken is dan psychiatrie en bijzondere jeugdzorg – namelijk bij onderwijs en zorg.

 

Maar de hypothese heeft ook verdere implicaties voor de praktijk. Het zou betekenen dat het haalbaar maken van een verbod op isolatie en fixatie niet alleen verder moet gaan dan de kinderpsychiatrie, maar ook verder moet gaan dan de focus op nabijheid, en de therapeutische relatie, die door jullie voorop gesteld worden.

Het betekent dat een grens moet komen aan het ongebreidelde ‘zorgen voor’. Dat we moeten stoppen met overnemen, maar de verantwoordelijkheid moeten beginnen teruggeven, aan zowel kind, ouder als leerkracht – en dit op alle mogelijke niveaus.

Ik ben ervan overtuigd dat hiervoor een proces van ‘verdichting’ op gang moet komen, om het ondertussen vertrouwde systeem van verwijdering en ont-verantwoordelijk-ing om te keren. Een proces waarin kinderen niet meer naar de gang gestuurd worden, niet meer naar de zorgjuf moeten, niet meer doorverwezen worden naar ‘meer gespecialiseerde’ voorzieningen, niet meer op time-out gestuurd worden, maar gewoon in hun klas kunnen blijven, of er tenminste steeds naar kunnen terugkeren. Waar de leerkracht de functie van vertrouwenspersoon en expert terugkrijgt, en de kinderen leert kennen in hun particulariteit en subjectiviteit, om van daaruit steeds nieuwe en veranderende systemen te helpen ontwikkelen om de problemen van dichtbij aan te pakken.

Een proces waarin ze tegelijk ook de verantwoordelijkheid over hun gedrag terugkrijgen, de gevolgen ervan leren ervaren, en dat in de nabijheid van een leerkracht die deze gevolgen helder stelt en ruimte voor andere oplossingen, ruimte voor keuze creëert.

Dat alles om kinderen het gevoel terug te geven dat ze er wel iets aan kunnen doen. En dat ze daarbij niet alleen staan, maar gesteund worden door wie vlak bij hen staat.

 

En ja, er is veel voor nodig. Mensen die bereid zijn verantwoordelijkheid ook te dragen, bereid af en toe een beet of een schop of een klap te incasseren. Die begrijpen dat elk moment en elk kind anders is en er dus geen vaste protocollen of systemen kunnen bestaan. Er zijn teams nodig die elkaar ondersteunen in het improviseren en het leren door te doen, en elkaar tegelijk erkennen in hoe zwaar het is. Een beleid vooral dat dit ook erkent, en dat gericht op zoek gaat naar hoe je draagkracht kan creëren en draaglast kan verdelen. Middelen, ja, als ze ingezet worden om er voor te zorgen dat kinderen met probleemgedrag niet als een bedreiging voor het klassikale lespakket gezien worden, maar binnen hun vertrouwde omgeving kunnen blijven en groeien in relatie met anderen.

 

Het gebeurt nu al, zo vaak, in zoveel bewegingen, bewust of onbewust, soms als verdoken besparing, maar vaker nog vanuit een gedegen visie. Maar het is hoog tijd dat die aparte bewegingen gebundeld worden in een overkoepelende visie op onderwijs en zorg, om zo gericht en geïntegreerd de overvolle kinderpsychiatrische afdelingen en wildgroei aan vrijheidsberovende maatregelen te gaan aanpakken. Want elk kind met enkel gedragsproblemen in de psychiatrie is een kind te veel. Elk van deze opnames wijst volgens mij op een falen van de zorg die ervoor dient te komen. Want iedereen is expert genoeg om met een onhandelbaar kind om te gaan. Als er maar genoeg vertrouwen en genoeg steun is.

 

En ja. Ik had er al van gehoord, van jullie antiek progressief gespelde kollectief, en ik had mezelf vervloekt omdat ik te laat was voor de lezing. Geweldig vond ik het initiatief, en ik applaudisseerde inwendig, want het ligt zo heerlijk mooi in de lijn met dat waar ik al jarenlang vol passie over denk en spreek.

Maar het was pas daar, op die vreemde plek met bijzondere bouwsels en aparte brouwsels, toen iemand met een scherp oog heel secuur mijn passie aanprikte, dat ze in een onstuitbare golf naar buiten gutste.

Het leidde tot vijf dagen van gutsend schrijven, die me uiteindelijk brengen tot deze conclusie ervan:

 

Ik wil jullie heel graag helpen met het streven naar een verbod op isolatie en fixatie bij kinderen onder de zestien jaar. Ik wil mee streven naar dat eindpunt, door op zoek te gaan naar hoe we een begin kunnen maken. Ik wil heel graag mijn hypothese gedetailleerder en grondiger toelichten, en vooral ook onderzoeken of ze steek houdt, en of ze voldoende handvaten biedt om de zorg op die manier te organiseren dat isolatie en fixatie niet alleen verboden, maar ook volstrekt overbodig wordt.

 

Ik weet niet of dit schrijven hiertoe kan leiden. Ik weet alleen dat ik het moest, en dat ik het met die woorden ook dichtknoop en jullie richting uit werp.

 

Misschien willen jullie het er eens over hebben?

 

 

 

 

(c) Mario Debaene

© Copyright. All Rights Reserved.